Alphen en Riel historie

 

Alphen

Alphen is gelegen op een dekzandrug, die zich uitstrekt van zuid naar noord, aan de oostzijde begrensd door het dal van de Leij (Donge) en aan de westzijde aflopend naar de lage (moeras-) gronden in het stroomgebied van de Mark. De gehuchten Boshoven, Terover, Sas, Hondseind, Boslust, Kwaalburg, Looneind, Oosterwijk en Druisdijk horen ook tot het Alphen’s grondgebied.

In de prehistorie en de eerste eeuwen van onze jaartelling boden dergelijk relatief hoge gebieden de beste mogelijkheid tot bewoning. Op het grondgebied van Alphen zijn dan ook talrijke sporen aangetroffen uit die prehistorie (onder meer grafheuvels), de Romeinse tijd (Kwaalburg herinnert aan een Romeinse versterking of legerplaats ) en Merovingische tijd (grafveld van wel 43 graven met bijgiften zoals sieraden, wapens, potten en glaswerk). Alphen mag zich dan ook rekenen tot de vroegst bewoonde gebieden binnen het Land van Breda.  

In 709 schonk de Frankische grootgrondbezitter Aengilbertus aan bisschop Willibrord goederen en rechten gelegen onder Alphen, onder meer bestaande uit 11 hoeven, een herenhuis en woning, met al de lijfeigenen, de hele veestapel en alles wat erbij hoorde. St. Willibrord liet in 739 dit bezit bij testament na aan de abdij van Echternach. Daardoor heeft de abdij gedurende enkele eeuwen zowel de wereldlijke als kerkelijke macht kunnen uitoefenen. Als territoriale begrenzing van dit machtsgebied gold de grens van de parochie, die echter een aanmerkelijk groter oppervlakte omvatte dan het huidige Alphen, want ook Chaam en Riel behoorden ertoe.

In 1175 draagt de abdij van Echternach haar rechten over aan de Norbertijner abdij van Tongerlo, gelegen in de Belgische Kempen. Die bezat al vanaf 1175 uitgestrekte landerijen en hoeven onder Alphen en bracht er tot in Tilburg gronden tot ontginning. De monniken van deze abdij verzorgden in Alphen en in Riel ook de pastorale zorg tot 1830. Het benoemingrecht van pastoor, het patronaatsrecht der kerk, was namelijk ook een van haar rechten. Als leenmannen van de Hertog van Brabant hadden de Heren van Breda rond 1200 al de rechtsmacht (juridische zeggenschap ) over Alphen. Daarnaast had de orde der Tempeliers echter binnen Alphen van 1144 - 1312 een eigen hof met lagere rechtsmacht (Commanderij van Ter Brake van de orde van de Tempeliers ). De commanderij vormde een eigen heerlijkheid, onafhankelijk van de Heren van Breda. Na opheffing van de orde gingen haar rechten over op de orde van Joannieters of Ridders van St. Jan.

Bij de Vrede van Munster in 1648 werden haar bezittingen toegewezen aan de Heren van Breda. Deze hadden al in de 15e eeuw op bestuurlijk gebied Alphen aan Chaam gekoppeld, waarbij overigens beide dorpen hun eigen financieel beheer voerden. Zij hadden wel één college van zeven schepenen - vier uit Alphen en drie uit Chaam die jaarlijks door de Heren van Breda werden aangesteld - dat het bestuur vormde en functioneerde als rechtbank in civiele zaken. Criminele zaken werden berecht op de schepenbank van Breda. Daarnaast hadden zij eeuwenlang samen met Baarle één schout, één secretaris en later ook één ontvanger.

Wat de kerkelijke kant betrof, de parochie Alphen omvatte ook de dorpen Chaam en Riel. Chaam werd in 1463 tot zelfstandige parochie verheven, ten aanzien van Riel gebeurde dat in ca. 1520. De al door St. Willibrord in Alphen gestichte kapel werd meerdere malen vergroot en verbouwd. De samen met de toren in de eerste helft van de 16e eeuw gebouwde gotische kerk werd in 1648, als gevolg van de Vrede van Munster, gesloten. De katholieken werden zo gedwongen hun diensten in een schuur (schuilkerk) te houden. Na de Vrede van Munster kwam in 1653 de kerk in gebruik bij de Hervormden. Echter, op 11 augustus 1820 werd bij koninklijk besluit (no. 137) het kerkgebouw weer aan de katholieken teruggegeven, onder andere op de voorwaarde dat men mee moest helpen om voor de protestanten een eigen dienstgebouw te stichten. Hieruit ontstond het voormalige Hervormde kerkje, dat in 1955, na een twintigtal jaren niet meer als zodanig in gebruik te zijn geweest, door de gemeente van de Nederlands Hervormde Diaconie werd gekocht, in 1959 gerestaureerd en ingericht tot Streekmuseum. De oude St. Willibrorduskerk was tijdens de bevrijding van Alphen in oktober 1944 vernield.

 

  

Toren Alphen

 De zwaar gebombardeerde kerk in Alphen tijdens W0 II

 

Het kerkgebouw is nadien in een andere stijl herbouwd. De restauratie van de 16e eeuwse gothische toren kon pas in 1971 voltooid worden.

    

Riel

Riel kan als naam verschillende betekenissen hebben. De meest aannemelijke is “rul, rel, riole”, waarmee een waterloop werd aangeduid. Voor deze verklaring pleit de aanwezigheid van de Ley (of Lei) die met een Westelijke Lei in het noorden samen- komt en overgaat in de Donge.

Het dorp Riel is samengesteld uit de gehuchten Brakel, Zandeind en de dorpskom of Kerkeind. Brakel is daarvan de oudste buurtschap, waar al in de prehistorische en Romeinse tijd bewoners gevestigd waren. Zo zijn in 1840 op de heide onder Brakel meer dan 50 urnen opgegraven.

 De oudste vermelding van de naam Riel wordt aangetroffen in een 14e eeuwse akte uit 1392 (“locus qui dicitur Riel”), doch ene Arnoud van Riele woonde reeds in 1333 onder Gilze. Als dorp maakte Riel deel uit van de heerlijkheid Beek, later Hilvarenbeek genaamd, waartoe behoorden Hilvarenbeek, Diessen, Westelbeers en Riel.

De rechtsmacht was er in onverdeeld bezit van de hertog van Brabant en de bisschop van Luik, als leenheer van de Heren van Herlaer. Het domein moet zijn ontstaan deels uit schenkingen van de Frankische grootgrondbezitter Aengilbertus aan bisschop Willibrord ( 709 en 712 ) en deels uit bezittingen die de hertog van Brabant er door vererving verwierf. De rechten van de hertog van Brabant gingen in 1648 bij de Vrede van Munster over aan de Staten-Generaal, die van de leenmannen van de bisschop van Luik vererfden of gingen door verkoop over op heren uit de geslachten Van Leefdael, Van Petershem, Van Merode en De Cort. Hilvarenbeek was een hoge heerlijkheid, waar de schepenen naast civiele zaken ook gerechtigd waren misdaden te bestraffen.

Nimmer maakte inwoners van Riel of Westelbeers deel uit van het college van zeven schepenen: vijf werden uit Hilvarenbeek gekozen en twee uit Diessen. Alle daar voorkomende rechtszaken werden in Hilvarenbeek door de schepenen aldaar berecht. Wel had Riel vanaf 1480 een drietal gezworenen, gekozen uit inwoners van de buurtschappen, die een eigen financiële administratie voerden. Zij waren verantwoordelijk voor onderhoud van de dorpswerken en voor de inning, afdracht en beheer van belastinggelden die de inwoners moesten opbrengen. Jaarlijks legden zij rekening en verantwoording af aan de drossaard of stadhouder van Hilvarenbeek in tegenwoordigheid van inwoners van Riel. Het Zandeind onder Riel behoorde tot de gemeijnt, woeste gronden die aan de plaatselijke bevolking in vruchtgebruik waren gegeven door de hertogen van Brabant. Daarvoor moest dan wel een jaarlijkse zogenaamde erfcijns betaald worden.

Bij de uitgifte van de gemijnt was het niet altijd zo dat dat gebied precies de jurisdictie van een plaats omvatte. Dat gaf later vaak aanleiding tot onenigheid tussen bewoners van aan elkaar grenzende dorpen. Zo vochten tot zelfs ver in de 19e eeuw Goirle en Riel over de rechten op de heide tussen de twee dorpen. Over de ingebruikname van de gemeijnt (gemene) gronden ten westen van de Oude Lei ontstonden in de 17e eeuw meerdere rechtsgedingen tussen inwoners van Riel en de heerlijkheid Tilburg.

Voor de boerenbevolking was het vruchtgebruik van de heidegronden van groot economisch belang. De heide leverde onder meer plaggen en strooisel voor in de stal. Naast schapen graasden er ook koeien, geiten en zelfs paarden en waar leem aanwezig was konden stenen gebakken worden in veldovens.

Riel is een typisch Brabants esdorp. De dorpen zijn hier niet, zoals in Drenthe, concentrisch van vorm, maar langgerekt. Deze zogenaamde kransakkerdorpen breidden zich uit naarmate de beschikbare bouwgrond rondom de akkers vol raakte. Nieuwe vestigingen vonden dan wat verderop aan de kronkelige weg rondom de akkers plaats. Dit nederzettingspatroon is in Riel goed bewaard gebleven. Een bijzonderheid is, dat de eerste ontginningsactiviteiten hier al in de 7e eeuw moeten hebben plaatsgevonden. De blokvormige verkaveling, waarbij akkers door hagen en houtwallen omringd werden om het vee te weren, is in Riel nog steeds te herkennen. In de eeuwen vóór het gebruik van kunstmest werden de akkers vruchtbaarder gemaakt door er zoden op te leggen die met dierlijke mest waren vermengd. Dit verklaart het holle, hoge karakter van de oude akkers.

In de 12e eeuw kwam er in Riel een opleving in de ontginning van de woeste gronden, doordat een kerkelijke instelling zich hierop toelegde. Later, toen Brabant door de Staten-Generaal tot Generaliteitsland was verklaard en als een wingewest werd uitgebuit, hadden de boeren weinig reden en mogelijkheden om hun arsenaal uit te breiden. De meeste boerderijen ter plaatse dateren uit het einde van de 19e eeuw, omdat bij een grote brand in 1877 vele hoeven verloren gingen. Riel maakte dus weliswaar deel uit van de heerlijkheid Hilvarenbeek, maar lag echter daarvan gescheiden door het grondgebied van Goirle.

Parochieel behoorde Riel al sinds eeuwen tot Alphen. De grote afstand van Riel naar Alphen en de slechte wegen kwam niet ten goede aan regelmatig kerkbezoek. Het was notabene onder de leiding van de Alphense priester Jan van Nieuland dat in 1444 midden in Riel een kapel werd gebouwd, met de H. Catharina als patrones. Hij werd ook de eerste rector, tot 1446, die daar de mis mocht lezen. De volgende rectoren werden benoemd door de abdij van Tongerlo. In 1519, toen sinds een jaar of drie H. Antonius patroonheilige was, werd het verzoek gedaan de kapel te verheffen tot parochiekerk. Immers voor de toediening van alle sacramenten moesten ze nog steeds naar Alphen. Het verzoek werd in 1520 bekrachtigd.

In 1533 werd Riel een zelfstandige parochie, ingedeeld bij het dekenaat Hilvarenbeek en tot 1824 bediend door de abdij van Tongerlo.De in 1540 gestichte kapel van de H. Martinus in het Alphense buurtschap Druisdijk hief de bisschop op in 1610 en verenigde de inkomsten daarvan met die van de Rielse parochiekerk om de pastoor daar een menswaardiger bestaan te verzekeren.

De woelige 16e eeuw is ook aan Riel niet ongemerkt voorbij gegaan. De troepen van de Gelderse veldheer Maarten van Rossum plunderde op weg naar Antwerpen in 1540 ook de omgeving van Gilze, Hilvarenbeek en Alphen. Er moest ook meebetaald worden aan de door hem opgelegde brandschattingen.Tijdens de Tachtigjarige Oorlog (1568-1648) had Riel zwaar te lijden van de herhaalde doortochten van èn Staatse èn Spaanse troepen: plunderingen, brandstichtingen, roof en nog veel meer.

Van de vervolging van katholieken had Riel, dat tot de Meijerij van ’s-Hertogenbosch behoorde, eerder de gevolgen te ondervinden dan Alphen. Na de inname van ’s-Hertogenbosch door prins Frederik Hendrik werd in 1629 de katholieke eredienst in de Meijerij verboden. De pastoor van Riel moest de kerk sluiten en celebreerde voortaan in zijn pastorie.

Toen Breda in 1637 voorgoed ook in Staatse handen was gevallen werd het voor de katholieken op het platteland steeds onveiliger.De Rielse pastoor nam in 1641 een benoeming aan te Terheijden. En wederom waren de Rielse inwoners genoodzaakt voor de vervulling van hun godsdienstige plichten naar Alphen te gaan. Na de inval van de Fransen in 1672 werden de Staatse plakkaten tegen de katholieken verzacht en kon de abt van Tongerlo, met toestemming van de bisschop, een nieuwe pastoor benoemen in Riel. Deze betrok in 1673 een boerderijtje tegenover de ingang van de oude kerk en richtte in de aangebouwde schuur een bedehuis in. Pas in 1764 kregen de inwoners van Riel toestemming de schuurkerk te verbouwen, die tot 1822 in gebruik bleef.

Oude kerk in Riel

 De oude gesloten maar nauwelijks gebruikte kerk was in 1819 aan de parochie teruggegeven. Er woonden toen ook in Riel nog maar vier protestanten. Hij werd daarna vergroot en opnieuw ingericht. Een nieuwe kerk werd op het plein vóór de oude kerk gebouwd en kon in 1897 geconsacreerd worden, waarna de oude kerk werd afgebroken.

 

Kerk Riel

De H. Antonius Abt kerk in Riel

 

Samenvoeging van twee dorpen - één gemeente.

De gemeente Alphen en Riel werd gevormd door samenvoeging van de dorpen Alphen en Riel in 1810. Bij keizerlijk decreet van Napoleon van 8 november 1810 (Bulletin des lois 327 no. 6107) werd Chaam losgekoppeld van Alphen en ging verder als zelfstandige gemeente. Alphen werd met Riel samengevoegd tot één gemeente. Nog in 1806 was een samenvoeging van Riel met Goirle mislukt hoewel een wet terzake was vastgesteld.

Alphen en Riel telden in 1810 1477 inwoners, Alphen 1135 en Riel 342. De gemeente telde verder 268 huizen, in Alphen 203 en in Riel 65.

Alphen bestond uit het dorp Alphen en de buurtschappen Kerk-Goedentijd, Terover, Kwaalburg, Bosschoven, Oosterwijk en Druisdijk-Vijfhuizen.

Riel bestond uit het dorp Riel en de buurtschappen Brakel, Zandeind en Kerkeind.

Alphen (Baronie van Breda) bezat tot die datum een eigen schepenbank tot welk rechtsgebied ook Chaam behoorde, dat krachtens de nieuwe bestuurlijke indeling dus werd losgemaakt van Alphen.

Riel behoorde voordien tot het rechtsgebied van de schepenbank Hilvarenbeek (Meierij van ’s-Hertogenbosch).

Nog in 1995 werd door de gemeenteraad een beleidsnota Centrumplan Alphen vastgesteld, met daarin ontwikkeling van en visie op ruimtelijk beleid, verkeer, wonen, werken en recreëren in relatie tot bebouwingsstructuur en groenstructuur. Voor Riel werd door de gemeenteraad in 1996, het laatste jaar van de zelfstandige gemeente Alphen en Riel, nog een beleidsnotitie centrumplan Riel vastgesteld, de structuurvisie centrum Riel.

Politionele zorg na de Franse tijd, vanaf eind 1814, werd het algemeen politietoezicht een zaak van het korps marechaussee. Zij werd verantwoordelijk voor ordehandhaving, veiligstellen van uitvoering van wetten, waken over de veiligheid van grote wegen en de landsgrenzen. Tot 1824 viel Alphen en Riel onder verantwoordelijkheid van de marechaussee Tilburg en vanaf dat jaar onder het korps marechaussee Baarle-Nassau. In 1843 volgde er een reorganisatie, waarbij plannen werden ontwikkeld om de brigade Baarle-Nassau over te plaatsen naar Alphen. Het duurde tot 1847, toen werd de nieuwe door de gemeente Alphen en Riel gebouwde kazerne aan de Goedentijd, aanbesteed voor een bedrag van fl. 3475,-- , voor het eerst betrokken door 1 brigadier en vier marechaussees. In de jaren 1873, 1884 en 1895 volgden er gedeeltelijke vernieuwingen. Tot aan 1912 werd het huurcontract met de gemeente telkens verlengd met een periode van 12 jaar, waarbij de oorspronkelijke huurprijs van fl 250,- per jaar pas met ingang van 1900 verhoogd werd tot fl. 300,-. Per 1912 waren er telkens maar huurcontractverlengingen voor een periode van twee jaar. Eind december 1916 betrok de brigade der marechaussee een nieuwe kazerne aan de Baarleseweg in Alphen. De voormalige kazerne aan de Goedentijd, nog steeds eigendom van de gemeente, werd in 1917 verkocht voor fl. 2414,-. In 1977 volgde afbraak.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd de marechaussee, op bevel van de Duitse bezettingsmacht, overgedaan aan de burgerlijke politie, gingen delen van het korps politietroepen, (onder-)officieren van leger en marine en het korps rijksveldwacht ook daarvan deel uitmaken en verdween het militaire karakter van de marechaussee.

 

Konmar Alphen

Na de oorlog werd de Koninklijke Marechaussee heropgebouwd en de brigade Alphen heropgericht op 26 november 1946. Niet meer de burgerlijke of algemene politietaken werden de verantwoordelijkheid van de marechaussee, maar wel het uitoefenen van de militaire politiezorg, zorg voor grensbewaking en de beveiliging van de leden van het Koninklijk Huis. Het algemene politietoezicht werd een zaak voor het na de oorlog opgerichte korps Rijkspolitie. De chef Generale Staf besloot 31 augustus 1954 tot opheffing van de brigade marechaussee Alphen. De gemeente Alphen en Riel zou voortaan ressorteren onder de brigade Baarle-Nassau en na opheffing daarvan onder die van Gilze-Rijen.De marechausseekazerne aan de Baarleseweg kwam via de Inspectie der Domeinen in november 1961 in “verkoop voor afbraak”. De gemeente ging echter in onderhandeling om het karakteristieke gebouw te behouden en besloot op 4 september 1960 tot onderhandse aankoop voor een bedrag van fl. 30.000,- . De voormalige kazerne kent sindsdien particuliere bewoning. De eerste gemeentelijke politiezorg bleek uit een Reglement der Burgerwacht van 30 december 1815, burgerwachten ten gunste van de openbare veiligheid, onder toezicht van de burgemeester. Dit reglement werd een zevental keren vernieuwd (onder meer op 30 juli 1859 met een verbod te schieten met vuurwapens bij ondertrouw) alvorens op 18 december 1844 een algemeen reglement van orde en politie verscheen, eigenlijk de eerste APV en driemaal vernieuwd.

Op 26 februari 1888 werd een nieuwe politieverordening afgekondigd, die vervolgens op 31 augustus 1906 werd vervangen door een andere die tot 28 december 1933 bleef gelden. Toen trad een nieuwe politieverordening in werking die onder meer regelde een wijkindeling: wijk A = Alphen en wijk B = Riel, en wijze van aanduiding van gebouwen: wijkletter en volgnummer.

De dorpspolitie was vóór juli 1822 veldwachter, Jan David Heilman, die daarna vervangen werd door Cornelis Joossen, welke op 9 februari 1852 ontslag kreeg op 75-jarige leeftijd. Na zes opvolgers, die allen hun standplaats hadden in Alphen, werd per 1 oktober 1939 Hendrik Cornelis Massuger veldwachter met als standplaats Riel. Hij zou tijdens de Tweede Wereldoorlog toegevoegd worden aan de marechaussee. Nog in 1939, op 27 juli, kwam er nieuwe verordening regelende de eisen van benoeming en bezoldiging veld- wachters, als vervanging van de verordening uit 1934, gewijzigd in 1936.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog is de burgemeester verplicht geweest politiemaandrapporten op te maken over het optreden van de politie tijdens de bezetting. Rapporten met daarin informatie inzake personeel, politiek, economie, luchtbescherming, stemming en scholing van het politiepersoneel, bijzondere gebeurtenissen, rekenschap over activiteiten van de politie en bijzondere opmerkingen.

In Alphen hadden de veldwachters onderdak in een woning bij het raadhuis, in 1899 gevolgd door een huiswoning in het toen vernieuwde raadhuis. In 1939 was er een ambtswoning te Riel, gebouwd door de gemeente. Deze werd door het ministerie van Justitie gehuurd per 1 januari 1947 voor huisvesting van de Rijkspolitie. De huurperiode eindigde pas per 1 april 1973. In Alphen waren er vanaf 1958 twee politiewoningen en één politiebureau voor de Rijkspolitie.

Beginjaren ´80 werd Alphen en Riel met Goirle samengevoegd tot een nieuwe Rijkspolitiegroep Goirle, waardoor er in Alphen en in Riel geen groepsbureau’s meer waren, maar slechts Rijkspolitieposten. De volgende reorganisatie in 1993 bij de Rijkspolitie betekende regiovorming en voor Alphen en Riel opheffing van de politieposten en aansturing door de politieregio Midden- en West-Brabant in Tilburg.

Heemkundekring
"Carel de Roy"

Gevestigd in: 
Oudheidkundig 
         Streekmuseum.

Postadres:
Baarleseweg 15,
5131 BA Alphen N.B.



Oudheidkundig
Streekmuseum

Bezoek- en postadres:
Baarleseweg 1,

5131 BA Alphen N.B.

streekmuseumalphen.nl/

Facebook

Wilt u op de hoogte blijven van de activiteiten van de Heemkundekring, klik dan op de "Vind ik leuk" knop.